Populisme in Romeins Italie

Sommige politici zijn bereid hun handen vuil te maken voor een hoger doel, anderen doen alles om het volk gunstig te stemmen. Het doel van beide soorten politici is het verkrijgen van de macht. Onze tijd ziet Berlusconi, Bossi, Wilders en Fortuyn als populistische politici. In de oudheid waren er de Gracchen broers, Drusus, Catilina, Clodius Pulcher en Caesar; populares werden zij genoemd. Beiden claimen een macht op persoonlijke basis, komen op voor de belangen van het volk en zetten zich af tegen het bestaande politieke systeem.

In de Romeinse Republiek was geregeld dat de macht verdeeld was, maar eerlijk was het niet. Patriciërs, pater familiae, patronen, rijke senatoren en succesvolle generaals hadden een bevoorrechte positie. In de tweede en eerste eeuw voor Chr. waren het de volkstribunen, magistraten, die de belangen van het volk moesten behartigen, die pleitten voor meer economische en politieke gelijkheid. Ook kwamen zij op voor de belangen van de overwonnen volkeren, allereerst de Italiers van buiten Rome. De macht van de volkstribunen groeide met hun succes en kon niet worden tegengehouden door de gewelddadige repressie van conservatieve senatoren.

In de 1e eeuw waren het generaals die de politieke stijl van de volkstribunen voortzetten en hun succes dankten aan persoonlijke loyaliteit. Tegelijkertijd ontstond een nieuwe soort patriciër; de één wilde met steun van het volk tot consul gekozen worden, een ander liet zich door een plebejische familie adopteren om zo toegang te krijgen tot het volkstribunaat. Niet door iedereen werden deze veranderingen enthousiast begroet. Cicero, Cato de Jongere en Brutus zijn iconen geworden van een Republikeins ideaal dat hier lijnrecht tegenin ging en welke de economische belangen en normen en waarden van de oude elite in stand wilden houden. Optimaten werden zij genoemd.

cicero

Op de afbeelding: Cicero.    Afbeelding door Tonynetone op Flickr

Deze optimaten lieten zich door spindoctoren voorlichten, oefenden de welsprekendheid met politieke doelen en deinsden, net als de populares, soms niet terug voor moord. De welsprekendheid werd geoefend, en er werd een beroep gedaan op de logos (rede), ethos (ethiek) en pathos (medeleven) van de luisteraar. Het was de eeuw van de burgeroorlogen, die de overgang van Republiek naar Keizerrijk inleidde. De Republikeinse idealen werden in vorm nog wel aangehangen, maar in de praktijk steeds meer verlaten, vooral door de op persoonlijke macht beluste generaals als Pompeius, Caesar, Marcus Antonius en Octavianus. Octavianus, de latere keizer Augustus, maakte daarbij handig gebruik van propaganda.

Laat een reactie achter!